klassiek voor iedereen, voor altijd

La clemenza di Tito
La clemenza di Tito (KV 621) is een opera van Wolfgang Amadeus Mozart in twee bedrijven naar een libretto van Pietro Metastasio. Het is de laatste opera die Mozart heeft geschreven.
De opera is op 6 september 1791 voor het eerst opgevoerd in Praag ter gelegenheid van de kroning van keizer Leopold II. De opdracht werd pas in juli 1791 verstrekt en Mozart voltooide de opera pas de dag voor de opvoering, getuige de datum die hij toevoegde in zijn eigen muziekcatalogus.

Het verhaal speelt zich af in het jaar 79 in Rome en is gebaseerd op echt bestaande personen. Vitellia, dochter van keizer Vitellius die een aantal jaren geleden opzij is gezet door de vader van Titus Vespasiano, hoopt om toch de troon te bereiken door keizer Titus te verleiden. Maar Titus heeft een oogje op Berenice, prinses van Judea. De beste vriend van Titus, Sextus, heeft daarentegen gevoelens voor Vitellia. Zij misbruikt zijn gevoelens om hem op te zetten tegen zijn vriend Titus de keizer, en een opstand te organiseren.
Eerste bedrijf
Sextus en Vitellia bespreken hun plan van aanpak om Tito van de troon te werpen, hoewel Sextus nog bedenkingen heeft. Dan meldt Annius dat Titus zijn relatie met Berenice heeft verbroken omdat er in het land te veel onrust ontstond door het idee van een buitenlandse prinses op de troon. Vitellia ziet nog een kans en vraagt Sextus om de opstand nog even uit te stellen.
Titus vertelt aan Sextus dat hij van plan is om Servilia te trouwen nu de relatie met Berenice stukgelopen is. Annius probeert Servilia vast in te lichten over deze plannen van de keizer, maar hij verspreekt zich en noemt haar 'mijn geliefde', waarop Servilia zijn liefde beantwoordt. Zij gaat naar de keizer Titus om te melden dat zij niet wil trouwen met hem omdat zij van Annius houdt. Titus is zeer te spreken over haar eerlijkheid en moed, en ziet af van verdere stappen. De volgende op wie zijn keuze valt is nu toch eindelijk Vitellia.
Sextus voelt zich schuldig voor het opzetten van een opstand tegen zijn vriend Titus, en wil uit de samenzwering stappen. Maar op dat moment breekt een brand uit in het Capitool als teken dat de staatsgreep is begonnen. Sextus gaat op onderzoek uit en komt terug met het gerucht dat Titus is vermoord en wil bijna zijn aandeel in de opstand bekennen tegenover Annius, Servilia en Publius maar Vitellia weet dit net te voorkomen.
Tweede bedrijf
In de tuinen van het paleis vertelt Annius aan Sextus dat de opstand is neergeslagen en dat Titus ongedeerd is. Sextus bekent nu zijn schuld tegenover Annius en vertelt dat hij Rome wil ontvluchten. Annius raadt hem aan om alles eerlijk te bekennen tegenover Titus en hij vertrekt. Vitellia komt de tuin binnen en raadt Sextus precies het tegenovergestelde aan omdat ze bang is dat hij haar inmenging ter sprake brengt wat de kans om met Titus te trouwen aanzienlijk verkleint. Dan komt Publius om Sextus te arresteren.
Titus, dankbaar omdat hij de opstand heeft overleefd, wacht op nieuws over de rechtszaak tegen zijn vriend en verrader Sextus. Annius brengt het nieuws dat Sextus alles heeft bekend en schuldig is bevonden. De doodstraf hoeft alleen nog ondertekend te worden door Titus maar deze wil Sextus eerst zelf spreken. Sextus wordt daarom voorgeleid aan Titus die hem vriendelijk ontvangt. Sextus smeekt om de doodstraf, uit schaamte voor zijn verraderlijke karakter en omdat hij niet kan kiezen tussen gratie van zijn vriend en het verloochenen van de vrouw van wie hij houdt, Vitellia.
Titus, na lang aarzelen, besluit om de doodstraf niet te ondertekenen en zijn vriend gratie te verlenen. Vitellia die bang is dat Sextus alles heeft verteld over de samenzwering voelt wroeging en besluit om alles op te biechten tegenover Titus, ook al verliest ze hiermee waarschijnlijk de kans om met hem te trouwen en op de troon plaats te nemen. Het verhaal eindigt in het amphitheater waar Titus ten overstaan van het volk zijn ware milde karakter toont en zowel Sextus als Vitellia de vrijheid schenkt.
bron: Wikipedia

Innerlijke Odyssee
9 Augustus 1975 overleed in Moskou een van de belangrijkste componisten uit de twintigste eeuw, tevens een van de grootste vertegenwoordigers van de Russische cultuur: Dimitri Shostakovich. Terwijl reeds de volgende dag de media in vrijwel de hele wereld over het overlijden van de componist berichtten, gunde de Pravda als officieel orgaan van de Sovjet machthebbers zich wat meer tijd. Pas drie dagen later publiceerde het blad op pagina drie een onopvallend berichtje met de volgende inhoud:“In zijn 69e jaar stierf de grootste componist uit onze tijd, Dimitri Shostakovich, afgevaardigde van de Opperste Sovjet van de USSR, Held van de socialistische arbeid, Volkskunstenaar van de USSR, onderscheiden met de Lenin prijs en met staatsprijzen van de USSR. Als trouwe zoon van de communistische partij…..” – enzovoorts, enzovoorts. Deze doortrapte huichelarij gold een componist die als geen ander in de muziekgeschiedenis leed onder de terreur van een schrikregiem en die werd achtervolgd door officiële veroordelingen en uitvoeringsverboden. Zijn muziek is alleen bezien tegen deze biografische achtergrond begrijpelijk. (…)
Frappant genoeg was Shostakovitch ondanks al deze bedreigingen een heel productieve componist. Zijn laatste werk, de altvioolsonate, draagt het opusnummer 147. Hij componeerde volledig uit het hoofd, het snelle noteren was dan nog slechts een schematische taak. Pas betrekkelijk laat vond Shostakovich de weg naar het strijkkwartet die bij hem samenviel met een innerlijke emigratie.(…) Het gaat hier om heel persoonlijke getuigenissen: Bekenntnismusik, die de levensfasen van de componist als mijlpalen markeren. (…)Deze muziek dwingt een componist om zich met intieme middelen op het wezenlijke te concentreren. (…)
Shostakovich ontwikkelde een eigen tactiek bij het schrijven van kwartetten. “Men verklaart slechts aan een groot werk ter ere van het socialisme te werken. Men krijgt dan enige tijd rust en schrijft een strijkkwartet”, vertelde hij zelf. Natuurlijk, ook de strijkkwartetten hebben niet alle eenzelfde hoog soortelijk gewicht, maar als geheel telt de cyclus tot het beste en belangrijkste wat de 20e eeuwse kwartetliteratuur opleverde. Het visionaire karakter van de late kwartetten weerspiegelt – net als destijds bij Beethoven en Bartók – de persoonlijke gesteldheid van de componist, getekend door angst, pijn, ziekte en de nabije dood. De structuur wordt gecompliceerder, er treden klankmatige vervreemdingen en twaalftoons vormingen op, het verstoppertje spelen dat steeds als camouflage diende, is afgelopen, de taal wordt directer, kariger, meedogenlozer. Dat bereikt zijn hoogtepunt in het 15e kwartet uit 1974 met zijn vijf adagio’s. Als geheel vormt de cyclus van vijftien een innerlijke odyssee waarin een gebied van toenemende spirituele isolatie wordt verkend. 

(Uit: Shostakovich, de 15 strijkkwartetten, door Jan de Kruijff)

Zie ook de interessante
analyse van Robert Matthew Walker