klinkt goed!

Bach's Hohe Messe
Subliem, buitenmaats, allesomvattend… slechts superlatieven volstaan om Bachs Mis in b klein, de ‘Hohe Messe’, te omschrijven. Tussen een ontzagwekkend Kyrie en het juichende laatste Dona nobis pacem klinken negen volslagen unieke aria’s en duetten, veertien imposante ensembledelen voor vier, vijf, zes tot zelfs acht stemmen, een brede waaier aan instrumentale solo’s, een onvoorstelbare afwisseling van stijlen. Onze bewondering is terecht: het was niet voor niets dat Bach in 1748-49 nog enkele highlights uit zijn lange carrière samenbracht. De mis omvat met het Et incarnatus est zelfs zijn allerlaatste bladzijden vocale muziek, pal naast het Crucifixus, een slimme bewerking uit één van Bachs vroegste cantates uit 1714.
Een magnum opus Er is veel gespeculeerd over de vraag waarom Bach aan het einde van zijn leven een mis samenstelde. Tegenwoordig wordt de ‘Hohe Messe’ meestal gezien als magnum opus op vocaal gebied, vergelijkbaar met andere grote projecten van Bach als Die Kunst der Fuge en de reeks Clavier-Übungen. Bach koos misschien juist wel voor het ordinarium van de mis om veel vrijheid te hebben. Het is een flinke hoeveelheid tekst, en er is niet voorgeschreven wat een aria moet zijn en wat een koordeel. Ook zijn er geen regels over het aantal delen. Bovendien is de mistekst in tegenstelling tot de cantates niet tijdgebonden, maar universeel.
De mis van 1733 Door zijn omvang kon de ‘Hohe Messe’ onmogelijk als geheel in een dienst klinken. Toch is het niet zo dat Bach zijn monumentale creatie nooit live heeft kunnen meemaken, ze klonk alleen door de jaren heen en in stukjes. De meeste onderzoekers gaan er inmiddels vanuit dat Bach zijn mis grotendeels samenstelde uit bestaande muziek, uiteraard vooral uit de cantates. De eerste aanzet voor de complete mis dateert van juli 1733, toen Bach koning August III in Dresden de partijen van een Missa in b klein aanbood. Het was de start van een reeks van vijf zogenaamde ‘lutherse’ missen met alleen Kyrie en Gloria, alle uit de jaren 1730. Terwijl de tekst bij Bach weliswaar iets afweek van de roomse liturgie, was zo’n beperkte miszetting aan het katholieke Dresdener hof vrij gebruikelijk. De vorm sloot bovendien precies aan bij de Dresdener (en dus niet de Leipziger) gewoontes, namelijk een mis in losse nummers zoals in de Napolitaanse stijl van Zelenka. Voor de uitvoering kon Bach een beroep doen op het wereldberoemde hoforkest met sterren als de violist Pisendel, de fluitisten Buffardin en Quantz, en de hoboïst Richter, die elk een mooie solo toebedeeld kregen (respectievelijk Laudamus te, Domine Deus en Qui sedes). Het effect moet overweldigend zijn geweest. Opmerkelijk is bovendien de grote variatie in stijlen: op een onvervalst barok operaduet Christe eleison volgt het tweede Kyrie in streng contrapunt.
Perfecte proporties Bach stelde de laatste vijf delen van de mis pas samen toen hij het geheel in 1748-49 in partituur noteerde. De architectuur van het Credo is opvallend. Bach veranderde heel bewust op het laatst nog zijn eerste opzet door Et incarnatus est los te maken van het duet Et in unum Dominum. Zo komt hij tot negen delen. De kern van het geloof, dus Jezus’ geboorte als mens, zijn dood en zijn beloftevolle verrijzenis, krijgen in de nieuwe opzet elk een eigen deel centraal in het Credo. Het expecto-tekstfragment zet Bach trouwens tweemaal op muziek: eerst aan het einde van Confiteor heel donker en getormenteerd, alsof de dode in zijn kist ligt te wachten op wat er komt, daarna jubelend wanneer de wederopstanding een feit is. Voor de drie Sanctus-delen leende Bach ook bij zichzelf: hij hergebruikt een Sanctus uit 1724 (in extra feestelijke lutherse diensten werd deze tekst apart gezongen, zonder Osanna en Benedictus), de opening van de cantate Preise dein Glücke uit 1730 voor Osanna, en een onbekend origineel voor de aria Benedictus in de toen zeer up to date ‘empfindsame’ stijl, alsof Bach wilde zeggen dat hij heus nog wel mee was.

met dank aan de Nederlands Bachvereniging